Te Weinig Gevoeld

Toen ik de omschrijving van Doireann Ní Ghríofa’s Aldus de Doden las, wist ik: JA, dit boek moet ik in mijn handen krijgen. En inderdaad, dit is een mooi werk dat tientallen doden een stem geeft, maar toch bleef ik wat op mijn honger zitten.
De verteller in Aldus de Doden raakt geobsedeerd door een oude psychiatrische inrichting die nu omgetoverd wordt tot eigentijds appartementencomplex en raakt in de ban van de vrouwen die er gewoond en gewerkt hebben. Ze sluipt regelmatig het gebouw binnen en zit dagen achtereen oude patiëntendossiers te lezen om erachter te komen wie de vrouwen waren die de inrichting binnen gebracht werden. Ze schrijft alles wat ze wat ze leert over de vrouwen op in een boek dat Aldus de Doden zal worden.
Zachte blik
Ní Ghríofa heeft een heel zachte blik en stijl. Ze schrijft met veel liefde en mededogen over de vrouwen die rond 1900 in de inrichting terecht kwamen. Wat we te weten komen over hun persoonlijke geschiedenissen is pijnlijk, hoe ze aan hun einde komen is soms nog treuriger. De meeste vrouwen zien niets meer van de buitenwereld en sterven in de inrichting. Een enkeling geneest en keert terug naar de echte wereld. Aldus de Doden vertelt de verhalen van tientallen vrouwen die rond 1900 als ‘ziek’ bestempeld werden, maar waar we anno nu met een heel andere blik naar kijken.
Het is heel interessant hoe feit en fictie hier met elkaar vermengen. Ogenschijnlijk hebben we te maken met harde feiten, omdat we bijvoorbeeld kopieën van patiëntendossiers te lezen krijgen. Bovendien zien we regelmatig foto’s of geschreven brieven van patiënten voorbijkomen. De verteller – die misschien Ní Ghríofa zelf is, maar misschien ook niet – probeert deze feiten te gieten in verhalen die waargebeurd zouden kunnen zijn, maar die – gezien de spaarzame feiten die beschikbaar zijn – ook deels fictie moeten zijn.
Waanzinnig
Het is boeiend om te lezen over hoe vrouwen rond 1900 weggestopt werden in een inrichting omdat ze waanzinnig zouden zijn. Vanuit mijn hedendaagse blik zie ik echter vooral vrouwen die getraumatiseerd waren en soms moesten omgaan met de verschrikkelijkste gebeurtenissen. Hadden ze in deze tijd geleefd, dan waren ze niet weggestopt om weg te kwijnen in een inrichting, nee, dan waren er allerlei uiteenlopende therapievormen geweest waarmee ze geholpen zouden kunnen worden.
Aldus de Doden is voor mij echter een boek waar ik vooral met het hoofd waardering voor kan opbrengen. Op emotioneel vlak ontbrak voor mij de binding met de verhalen die Ní Ghríofa vertelt. Verstandelijk snap ik wat de auteur hier probeert te doen en wat ze ons probeert te vertellen, maar ik voelde het niet echt.
Inwisselbaar
De verhalen over de vrouwelijke patiënten worden na verloop van tijd wat inwisselbaar, omdat er zoveel overeenkomsten zijn. Voor mij voelde dit boek dan ook vaak aan als een heel lange opsomming van vrouwen met problemen, niet als een verhaal waar ik in meegesleept werd.
En dan is er de verteller die obsessief bezig is met de patiëntendossiers, maar ik snapte nooit helemaal wat de grond van die obsessie is. Ik snap met mijn hoofd wel waarom dit interessant is, maar welke persoonlijke geschiedenis van de verteller zorgt ervoor dat een interesse kan uitgroeien tot zo’n intense obsessie? De spaarzame inkijkjes in het persoonlijke leven van de verteller waren voor mij niet genoeg. Ik miste wat inzicht in de psyche van de verteller waardoor Aldus de Doden als geheel een voor mij wat afstandelijk karakter bleef houden.
Ik heb dit boek met interesse gelezen en heb er ook zeker wat van opgestoken, maar wat dit boek probeert te doen – namelijk de doden middels het geschreven woord tot leven wekken – lukte wat mij betreft niet helemaal. Een bijzonder boek, zeker qua vorm, maar niet een boek waar ik helemaal van ondersteboven ben. Daarvoor heb ik te weinig gevoeld tijdens het lezen van Aldus de Doden.




