Religieuze Openbaring

Inleidingen in de filosofie zijn er vooral voor mensen die met filosofie willen beginnen en een toegankelijk overzicht zoeken ter kennismaking. In deze Inleiding in de Filosofie geeft Karl Jaspers echter een overzicht van zijn eigen denken en beantwoordt hij de vraag welke rol de filosofie kan en moet hebben in de wereld. Dat is een stuk ingewikkelder dan de gemiddelde inleiding in de filosofie, maar wel een werk waar ik gigantisch door geprikkeld werd.
Voor Jaspers is filosofie een zeer persoonlijke aangelegenheid waarbij we ook altijd het goddelijke kunnen ervaren. Filosofie is nooit af, het is altijd een ‘op weg zijn’ en met iedere vraag die we stellen moeten er weer nieuwe vragen opkomen. Daarmee heeft de filosofie een ongrijpbaar karakter die je als mens kan laten vallen – er is immers nooit een definitief antwoord – maar het is juist in deze openheid en ongrijpbaarheid dat we vrijheid kunnen ervaren. Je halsstarrig vasthouden aan één theorie vernauwt je blik en de wereld; openstaan voor telkens weer nieuwe perspectieven maakt de wereld steeds weer groter en brengt ons in contact met het transcendente, het goddelijke, de vrijheid.
Grenzen
Wij moeten ons als mensen bewust zijn van de grenzen van ons denken; mijn perspectief op de wereld is altijd maar één perspectief. De wereld wordt pas kenbaar door al die gebroken perspectieven van al die unieke individuen. We moeten dus altijd in verbinding blijven met de mensen om ons heen; eenzame contemplatie is belangrijk, maar onze verbinding met anderen is essentieel om onze eigen blik te blijven verruimen en om te handelen op een manier die ertoe doet.
Bij het lezen van Inleiding in de Filosofie drong zich natuurlijk direct de vergelijking met Hannah Arendt op. Jaspers en Arendt waren goede vrienden en de invloed van Arendt op Jaspers denken sijpelt hier en daar door de zinnen heen. Zo is er natuurlijk het belang dat gehecht wordt aan het samen in de wereld zijn en Jaspers lijkt ook het onderscheid dat Arendt maakt tussen het private en het publieke over te nemen. Jaspers noemt Arendt nooit bij naam, maar het is duidelijk dat bepaalde ideeën van Arendt voor Jaspers dusdanig vanzelfsprekend zijn dat ze ook in zijn denken terug te vinden zijn. (En het zal vanaf nu ook wel andersom werken; dat als ik Arendt lees ik opmerk dat Jaspers’ ideeën erdoorheen schemeren.)
Waarheid
Ik vond het daarnaast interessant dat filosoferen voor Jaspers helemaal geen activiteit is om dichter bij de waarheid te komen, waar dat voor veel filosofen uit het verleden wel geldt. De wetenschap houdt zich bezig met waarheid, maar filosofie heeft volgens Jaspers veel meer betrekking op een bepaalde houding waarmee je in het leven staat en de manier waarop je je opstelt naar de mensen en de wereld om je heen. Het gaat om jezelf (en je eigen grenzen) kennen, het gaat om je plaats bepalen in de wereld en het gaat om het verbinden met de mensen om je heen.
Ik zie mezelf al heel lang niet meer als een echte filosoof, omdat ik (te) ver afgedwaald ben van de academische filosofie en mijn analytische houding vooral gebruik om aan zelfreflectie te doen, om kunst (literatuur, film, muziek) te analyseren en om te pogen een bepaalde openheid te bewaren ten opzichte van de wereld om me heen. Het doet me deugd om in Jaspers een filosoof te vinden die er op een gelijkaardige manier in lijkt te staan. Misschien mag ik mezelf dan toch nog steeds filosoof noemen!
God
Maar waar ik het meest door gegrepen werd, is de rol die God speelt in Inleiding in de Filosofie. Jaspers was filosoof in een tijd (de twintigste eeuw) waarin het denken totaal was ontdaan van het mystieke; er is dat wat we kunnen zien en meer niet. Jaspers probeert dat mystieke echter weer terug te brengen, niet op een manier zoals de Islam of het Christendom of Jodendom doen, maar het deed me heel erg denken aan de manier waarop het goddelijke werkt in het boeddhisme. Het goddelijke bestaat niet buiten ons, maar het zit in ons en door de filosofie kunnen we bij dat goddelijke komen. Dat lijkt op het zenboeddhisme dat ons leert dat we allemaal Boeddha zijn; voor Boeddha buigen is voor jezelf buigen.
De manier waarop Jaspers over God schrijft deed iets met me. Je zou het een religieuze openbaring kunnen noemen. Het heeft in ieder geval iets in me losgemaakt waar ik wat mee moet. Ik snapte de onlangs overleden Lieke Marsman opeens ook zo goed. In de wetenschap dat de dood nabij was begon zij te geloven. Net als ik was Marsman overtuigd antireligieus. Net als bij Marsman is die overtuiging ook bij mij aan het wankelen gebracht. Zou Marsman Jaspers gelezen hebben? Zo ja, dan heeft ze Jaspers waarschijnlijk net zo geweldig als ik gevonden.




